afdrukken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afdrukken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afdrukken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afdrukkend
Past participle - Verleden deelwoord: afgedrukt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdruk af
jijdrukt af
hijdrukt af
wijdrukken af
julliedrukken af
zijdrukken af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgedrukt
jijhebt afgedrukt
hijheeft afgedrukt
wijhebben afgedrukt
julliehebben afgedrukt
zijhebben afgedrukt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdrukte af
jijdrukte af
hijdrukte af
wijdrukten af
julliedrukten af
zijdrukten af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgedrukt
jijhad afgedrukt
hijhad afgedrukt
wijhadden afgedrukt
julliehadden afgedrukt
zijhadden afgedrukt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afdrukken
jijzult afdrukken
hijzal afdrukken
wijzullen afdrukken
julliezullen afdrukken
zijzullen afdrukken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgedrukt hebben
jijzult afgedrukt hebben
hijzal afgedrukt hebben
wijzullen afgedrukt hebben
julliezullen afgedrukt hebben
zijzullen afgedrukt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afdrukken
jijzou afdrukken
hijzou afdrukken
wijzouden afdrukken
julliezouden afdrukken
zijzouden afdrukken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgedrukt hebben
jijzou afgedrukt hebben
hijzou afgedrukt hebben
wijzouden afgedrukt hebben
julliezouden afgedrukt hebben
zijzouden afgedrukt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdruk af

Translations

  • print, to produce a copy of a text or image on a surface, especially by machine
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    drukken
    bedrukken, printen
    uitdraaien
    printen

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch afdrucken (“to extort”). Equivalent to af + drukken.

    Additional Information