zuiveren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of zuiveren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: zuiveren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zuiverend
Past participle - Verleden deelwoord: gezuiverd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzuiver
jijzuivert
hijzuivert
wijzuiveren
julliezuiveren
zijzuiveren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gezuiverd
jijhebt gezuiverd
hijheeft gezuiverd
wijhebben gezuiverd
julliehebben gezuiverd
zijhebben gezuiverd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzuiverde
jijzuiverde
hijzuiverde
wijzuiverden
julliezuiverden
zijzuiverden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gezuiverd
jijhad gezuiverd
hijhad gezuiverd
wijhadden gezuiverd
julliehadden gezuiverd
zijhadden gezuiverd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal zuiveren
jijzult zuiveren
hijzal zuiveren
wijzullen zuiveren
julliezullen zuiveren
zijzullen zuiveren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gezuiverd hebben
jijzult gezuiverd hebben
hijzal gezuiverd hebben
wijzullen gezuiverd hebben
julliezullen gezuiverd hebben
zijzullen gezuiverd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou zuiveren
jijzou zuiveren
hijzou zuiveren
wijzouden zuiveren
julliezouden zuiveren
zijzouden zuiveren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gezuiverd hebben
jijzou gezuiverd hebben
hijzou gezuiverd hebben
wijzouden gezuiverd hebben
julliezouden gezuiverd hebben
zijzouden gezuiverd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzuiver

Translations

  • purge, to clean thoroughly; to cleanse; to rid of impurities
  • purify, cleanse something of impurities
  • sanctify, to purify
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    reinigen
    schoonmaken, louteren, ontsmetten
    bevrijden
    vrijpleiten
    filtreren
    raffineren, veredelen
    corrigeren
    verbeteren

    Antonyms

    bevrijden
    gevangennemen, arresteren, inrekenen, pakken, vastzetten

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch suveren, from Old Dutch *sūvaron. Equivalent to zuiver + -en. See: Old Dutch '*sūvaron'.

    Additional Information