Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: huiveren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: huiverend
Past participle - Verleden deelwoord: gehuiverd
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | huiver |
| jij | huivert |
| hij | huivert |
| wij | huiveren |
| jullie | huiveren |
| zij | huiveren |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gehuiverd |
| jij | hebt gehuiverd |
| hij | heeft gehuiverd |
| wij | hebben gehuiverd |
| jullie | hebben gehuiverd |
| zij | hebben gehuiverd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | huiverde |
| jij | huiverde |
| hij | huiverde |
| wij | huiverden |
| jullie | huiverden |
| zij | huiverden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gehuiverd |
| jij | had gehuiverd |
| hij | had gehuiverd |
| wij | hadden gehuiverd |
| jullie | hadden gehuiverd |
| zij | hadden gehuiverd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal huiveren |
| jij | zult huiveren |
| hij | zal huiveren |
| wij | zullen huiveren |
| jullie | zullen huiveren |
| zij | zullen huiveren |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gehuiverd hebben |
| jij | zult gehuiverd hebben |
| hij | zal gehuiverd hebben |
| wij | zullen gehuiverd hebben |
| jullie | zullen gehuiverd hebben |
| zij | zullen gehuiverd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou huiveren |
| jij | zou huiveren |
| hij | zou huiveren |
| wij | zouden huiveren |
| jullie | zouden huiveren |
| zij | zouden huiveren |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gehuiverd hebben |
| jij | zou gehuiverd hebben |
| hij | zou gehuiverd hebben |
| wij | zouden gehuiverd hebben |
| jullie | zouden gehuiverd hebben |
| zij | zouden gehuiverd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'huiveren'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'huiveren'
zuiveren,
duivelen,
halveren,
hunkeren,
kuieren,
luieren,
luimeren,
pulveren,
suikeren,
tuieren,
Translations
shiver, to tremble or shake
shudder, to shake nervously, as if from fear
wince, to flinch as if in pain
Sample Sentences
-
[...] somtijds het eiland aandeden, er nimmer iets dachten te vinden, en dus nooit het strand verlieten. Ik twijfel niet of zij waren er verscheidene malen, nadat ik hun spoor ontdekt had, geweest; en ik huiverde bij de gedachte wat mijn toestand zou geweest zijn, als ik op hen gestooten had, en zij mij ontdekt hadden, alleen gewapend met een geweer, soms met eenigen hagel slechts geladen. Welk een [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] en ons allen vermoorden. " Welnu, " zeide ik, " dan wettigt de noodzakelijkheid, hetgeen ik geraden heb, want het is het eenigste middel om ons leven te sparen. " Daar ik echter zag, dat hij nog huiverde voor bloedvergieten, zeide ik, dat ik alles aan hem overliet, en dat zij konden handelen, zoo als zij goed vonden.
(Robinson Crusoe)
Etymology
1. Likely onomatopoeic. Appears to contain the frequentative suffix -eren.
2. An early etymology suggesting that it may ultimately represent a derivation from Proto-Germanic *heufaną (via an unattested Middle Dutch *hūven) is today generally dismissed as implausible. See: Proto-Germanic '
*heufaną'.
Additional Information