zaniken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of zaniken

The word "zaniken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: zaniken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zanikend
Past participle - Verleden deelwoord: gezaniikt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzaniik
jijzaniikt
hijzaniikt
wijzaniken
julliezaniken
zijzaniken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gezaniikt
jijhebt gezaniikt
hijheeft gezaniikt
wijhebben gezaniikt
julliehebben gezaniikt
zijhebben gezaniikt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzaniikte
jijzaniikte
hijzaniikte
wijzaniikten
julliezaniikten
zijzaniikten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gezaniikt
jijhad gezaniikt
hijhad gezaniikt
wijhadden gezaniikt
julliehadden gezaniikt
zijhadden gezaniikt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal zaniken
jijzult zaniken
hijzal zaniken
wijzullen zaniken
julliezullen zaniken
zijzullen zaniken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gezaniikt hebben
jijzult gezaniikt hebben
hijzal gezaniikt hebben
wijzullen gezaniikt hebben
julliezullen gezaniikt hebben
zijzullen gezaniikt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou zaniken
jijzou zaniken
hijzou zaniken
wijzouden zaniken
julliezouden zaniken
zijzouden zaniken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gezaniikt hebben
jijzou gezaniikt hebben
hijzou gezaniikt hebben
wijzouden gezaniikt hebben
julliezouden gezaniikt hebben
zijzouden gezaniikt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzaniik

Verbs similar to 'zaniken'

Translations

  • nag, complain about insignificant matters
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information