weerspreken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of weerspreken

The word "weerspreken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: weerspreken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: weersprekend
Past participle - Verleden deelwoord: weerspreekt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikweerspreek
jijweerspreekt
hijweerspreekt
wijweerspreken
jullieweerspreken
zijweerspreken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb weerspreekt
jijhebt weerspreekt
hijheeft weerspreekt
wijhebben weerspreekt
julliehebben weerspreekt
zijhebben weerspreekt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikweerspreekte
jijweerspreekte
hijweerspreekte
wijweerspreekten
jullieweerspreekten
zijweerspreekten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad weerspreekt
jijhad weerspreekt
hijhad weerspreekt
wijhadden weerspreekt
julliehadden weerspreekt
zijhadden weerspreekt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal weerspreken
jijzult weerspreken
hijzal weerspreken
wijzullen weerspreken
julliezullen weerspreken
zijzullen weerspreken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal weerspreekt hebben
jijzult weerspreekt hebben
hijzal weerspreekt hebben
wijzullen weerspreekt hebben
julliezullen weerspreekt hebben
zijzullen weerspreekt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou weerspreken
jijzou weerspreken
hijzou weerspreken
wijzouden weerspreken
julliezouden weerspreken
zijzouden weerspreken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou weerspreekt hebben
jijzou weerspreekt hebben
hijzou weerspreekt hebben
wijzouden weerspreekt hebben
julliezouden weerspreekt hebben
zijzouden weerspreekt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijweerspreek

Verbs conjugated like 'weerspreken'

aanbleken, aanhaken, aankweken, aanmaken, aanpreken, aanraken, aansmeken, aanstoken, afhaken, afkraken, afmaken, afpreken, bekendmaken, bewaken, dichtmaken, dopen, gapen, geraken, inmaken, inschepen, etc. (List truncated at 20 verbs)

Verbs similar to 'weerspreken'

Translations

  • contend, strive in opposition
  • impugn, To verbally assault, especially to argue against an opinion, motive, or action
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch weerspreken, wederpreken, from Old Dutch *witharsprekan, from Proto-West Germanic *wiþrasprekan, equivalent to weer- + spreken.

    Additional Information