mangelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of mangelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: mangelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: mangelend
Past participle - Verleden deelwoord: gemangeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmangel
jijmangelt
hijmangelt
wijmangelen
julliemangelen
zijmangelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemangeld
jijhebt gemangeld
hijheeft gemangeld
wijhebben gemangeld
julliehebben gemangeld
zijhebben gemangeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmangelde
jijmangelde
hijmangelde
wijmangelden
julliemangelden
zijmangelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemangeld
jijhad gemangeld
hijhad gemangeld
wijhadden gemangeld
julliehadden gemangeld
zijhadden gemangeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal mangelen
jijzult mangelen
hijzal mangelen
wijzullen mangelen
julliezullen mangelen
zijzullen mangelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemangeld hebben
jijzult gemangeld hebben
hijzal gemangeld hebben
wijzullen gemangeld hebben
julliezullen gemangeld hebben
zijzullen gemangeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou mangelen
jijzou mangelen
hijzou mangelen
wijzouden mangelen
julliezouden mangelen
zijzouden mangelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemangeld hebben
jijzou gemangeld hebben
hijzou gemangeld hebben
wijzouden gemangeld hebben
julliezouden gemangeld hebben
zijzouden gemangeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmangel

Translations

  • mangle, to wring laundry
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch mangelen, from Middle High German mangeln. See: Middle High German 'mangeln'.

    Additional Information