hagelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of hagelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: hagelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: hagelend
Past participle - Verleden deelwoord: gehageld

Cognates

See the 7 cognates of hagelen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

hijhagelt

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

hijheeft gehageld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

hijhagelde

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

hijhad gehageld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

hijzal hagelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

hijzal gehageld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

hijzou hagelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

hijzou gehageld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

Translations

  • hail, to fall from the sky, of hail
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From hagel (“hail”) + -en.

    Verbs referencing "hagelen"

    English hail, German, old spelling hageln.

    Additional Information