Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: verzuimen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verzuimend
Past participle - Verleden deelwoord: verzuimd
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | verzuim |
| jij | verzuimt |
| hij | verzuimt |
| wij | verzuimen |
| jullie | verzuimen |
| zij | verzuimen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb verzuimd |
| jij | hebt verzuimd |
| hij | heeft verzuimd |
| wij | hebben verzuimd |
| jullie | hebben verzuimd |
| zij | hebben verzuimd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | verzuimde |
| jij | verzuimde |
| hij | verzuimde |
| wij | verzuimden |
| jullie | verzuimden |
| zij | verzuimden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had verzuimd |
| jij | had verzuimd |
| hij | had verzuimd |
| wij | hadden verzuimd |
| jullie | hadden verzuimd |
| zij | hadden verzuimd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal verzuimen |
| jij | zult verzuimen |
| hij | zal verzuimen |
| wij | zullen verzuimen |
| jullie | zullen verzuimen |
| zij | zullen verzuimen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal verzuimd hebben |
| jij | zult verzuimd hebben |
| hij | zal verzuimd hebben |
| wij | zullen verzuimd hebben |
| jullie | zullen verzuimd hebben |
| zij | zullen verzuimd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou verzuimen |
| jij | zou verzuimen |
| hij | zou verzuimen |
| wij | zouden verzuimen |
| jullie | zouden verzuimen |
| zij | zouden verzuimen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou verzuimd hebben |
| jij | zou verzuimd hebben |
| hij | zou verzuimd hebben |
| wij | zouden verzuimd hebben |
| jullie | zouden verzuimd hebben |
| zij | zouden verzuimd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'verzuimen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'verzuimen'
verhuizen,
herzien,
opruimen,
overtuigen,
overzien,
ruimen,
verbruiken,
verdoemen,
vereisen,
verenigen,
Translations
Sample Sentences
-
[...] de zon, benevens veiligheid voor vijanden, hetzij menschen of dieren, en eindelijk het gezigt op de zee; opdat, als het God behaagde, eenig schip in het gezigt te zenden, ik geene gelegenheid mogt verzuimen tot mijne bevrijding, waarop ik nog niet alle hoop opgegeven had.
(Robinson Crusoe)
-
[...] de spade, en toch had ik aan het een en ander, en aan mijne vergeefsche pogingen, om een kruiwagen zamen te stellen, vier dagen noodig; altijd daar afgerekend mijne morgenwandelingen, die ik zelden verzuimde, en waarvan ik ook meestal iets eetbaars te huis bragt.
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch versûmen, from Old Dutch *farsūmen, from Proto-West Germanic *frasūmijan, from *sūmijan. By surface analysis, ver- + zuimen, a verb which became obsolete in the early modern period. Compare German versäumen, Danish forsømme. See: German, old spelling '
versäumen', Danish '
forsømme'.
Verbs referencing "verzuimen"
German, old spelling
versäumen, Danish
forsømme, Swedish
försumma, Bavarian versamma.
Additional Information