verwinteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verwinteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verwinteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verwinterend
Past participle - Verleden deelwoord: verwinterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverwinter
jijverwintert
hijverwintert
wijverwinteren
jullieverwinteren
zijverwinteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verwinterd
jijhebt verwinterd
hijheeft verwinterd
wijhebben verwinterd
julliehebben verwinterd
zijhebben verwinterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverwinterde
jijverwinterde
hijverwinterde
wijverwinterden
jullieverwinterden
zijverwinterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verwinterd
jijhad verwinterd
hijhad verwinterd
wijhadden verwinterd
julliehadden verwinterd
zijhadden verwinterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verwinteren
jijzult verwinteren
hijzal verwinteren
wijzullen verwinteren
julliezullen verwinteren
zijzullen verwinteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verwinterd hebben
jijzult verwinterd hebben
hijzal verwinterd hebben
wijzullen verwinterd hebben
julliezullen verwinterd hebben
zijzullen verwinterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verwinteren
jijzou verwinteren
hijzou verwinteren
wijzouden verwinteren
julliezouden verwinteren
zijzouden verwinteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verwinterd hebben
jijzou verwinterd hebben
hijzou verwinterd hebben
wijzouden verwinterd hebben
julliezouden verwinterd hebben
zijzouden verwinterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverwinter

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information