verstrijken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verstrijken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verstrijken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verstrijkend
Past participle - Verleden deelwoord: verstreken

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

hijverstrijkt

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

hijis verstreken

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

hijverstreek

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

hijwas verstreken

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

hijzal verstrijken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

hijzal verstreken zijn

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

hijzou verstrijken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

hijzou verstreken zijn

Imperative - Gebiedende wijs

Translations

  • expire, become invalid
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    verlopen
    voorbijgaan

    Sample Sentences

    Etymology

    From ver- + strijken (“to stroke, brush”).

    Additional Information