vermemelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of vermemelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: vermemelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vermemelend
Past participle - Verleden deelwoord: vermemeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvermemel
jijvermemelt
hijvermemelt
wijvermemelen
jullievermemelen
zijvermemelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb vermemeld
jijhebt vermemeld
hijheeft vermemeld
wijhebben vermemeld
julliehebben vermemeld
zijhebben vermemeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvermemelde
jijvermemelde
hijvermemelde
wijvermemelden
jullievermemelden
zijvermemelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad vermemeld
jijhad vermemeld
hijhad vermemeld
wijhadden vermemeld
julliehadden vermemeld
zijhadden vermemeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal vermemelen
jijzult vermemelen
hijzal vermemelen
wijzullen vermemelen
julliezullen vermemelen
zijzullen vermemelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal vermemeld hebben
jijzult vermemeld hebben
hijzal vermemeld hebben
wijzullen vermemeld hebben
julliezullen vermemeld hebben
zijzullen vermemeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou vermemelen
jijzou vermemelen
hijzou vermemelen
wijzouden vermemelen
julliezouden vermemelen
zijzouden vermemelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou vermemeld hebben
jijzou vermemeld hebben
hijzou vermemeld hebben
wijzouden vermemeld hebben
julliezouden vermemeld hebben
zijzouden vermemeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvermemel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information