verknallen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verknallen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verknallen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verknallend
Past participle - Verleden deelwoord: verknald

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverknal
jijverknalt
hijverknalt
wijverknallen
jullieverknallen
zijverknallen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verknald
jijhebt verknald
hijheeft verknald
wijhebben verknald
julliehebben verknald
zijhebben verknald

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverknalde
jijverknalde
hijverknalde
wijverknalden
jullieverknalden
zijverknalden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verknald
jijhad verknald
hijhad verknald
wijhadden verknald
julliehadden verknald
zijhadden verknald

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verknallen
jijzult verknallen
hijzal verknallen
wijzullen verknallen
julliezullen verknallen
zijzullen verknallen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verknald hebben
jijzult verknald hebben
hijzal verknald hebben
wijzullen verknald hebben
julliezullen verknald hebben
zijzullen verknald hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verknallen
jijzou verknallen
hijzou verknallen
wijzouden verknallen
julliezouden verknallen
zijzouden verknallen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verknald hebben
jijzou verknald hebben
hijzou verknald hebben
wijzouden verknald hebben
julliezouden verknald hebben
zijzouden verknald hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverknal

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

bederven
verknoeien, verknollen, verpesten, verprutsen, versjteren, verzieken
verbruien
verknoeien, verprutsen

Sample Sentences

Etymology

From ver- + knallen.

Additional Information