troebleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of troebleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: troebleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: troeblerend
Past participle - Verleden deelwoord: getroebleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktroebleer
jijtroebleert
hijtroebleert
wijtroebleren
jullietroebleren
zijtroebleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getroebleerd
jijhebt getroebleerd
hijheeft getroebleerd
wijhebben getroebleerd
julliehebben getroebleerd
zijhebben getroebleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktroebleerde
jijtroebleerde
hijtroebleerde
wijtroebleerden
jullietroebleerden
zijtroebleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getroebleerd
jijhad getroebleerd
hijhad getroebleerd
wijhadden getroebleerd
julliehadden getroebleerd
zijhadden getroebleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal troebleren
jijzult troebleren
hijzal troebleren
wijzullen troebleren
julliezullen troebleren
zijzullen troebleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getroebleerd hebben
jijzult getroebleerd hebben
hijzal getroebleerd hebben
wijzullen getroebleerd hebben
julliezullen getroebleerd hebben
zijzullen getroebleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou troebleren
jijzou troebleren
hijzou troebleren
wijzouden troebleren
julliezouden troebleren
zijzouden troebleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getroebleerd hebben
jijzou getroebleerd hebben
hijzou getroebleerd hebben
wijzouden getroebleerd hebben
julliezouden getroebleerd hebben
zijzouden getroebleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtroebleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From troubleren, from French troubler (“to disturb”), from Old French trobler, trubler, from Vulgar Latin *turbulāre (with metathesis), from Latin turbāre. See: French 'troubler', Old French 'trobler', Latin 'turbō'.

Additional Information