proberen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of proberen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: proberen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: proberend
Past participle - Verleden deelwoord: geprobeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikprobeer
jijprobeert
hijprobeert
wijproberen
jullieproberen
zijproberen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geprobeerd
jijhebt geprobeerd
hijheeft geprobeerd
wijhebben geprobeerd
julliehebben geprobeerd
zijhebben geprobeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikprobeerde
jijprobeerde
hijprobeerde
wijprobeerden
jullieprobeerden
zijprobeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geprobeerd
jijhad geprobeerd
hijhad geprobeerd
wijhadden geprobeerd
julliehadden geprobeerd
zijhadden geprobeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal proberen
jijzult proberen
hijzal proberen
wijzullen proberen
julliezullen proberen
zijzullen proberen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geprobeerd hebben
jijzult geprobeerd hebben
hijzal geprobeerd hebben
wijzullen geprobeerd hebben
julliezullen geprobeerd hebben
zijzullen geprobeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou proberen
jijzou proberen
hijzou proberen
wijzouden proberen
julliezouden proberen
zijzouden proberen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geprobeerd hebben
jijzou geprobeerd hebben
hijzou geprobeerd hebben
wijzouden geprobeerd hebben
julliezouden geprobeerd hebben
zijzouden geprobeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijprobeer

Translations

  • attempt, to try
  • endeavor, attempt through application of effort
  • try, to attempt
  • try, to make an experiment
  • try, to work on something
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    beproeven
    proeven, uitproberen
    pogen
    trachten
    onderzoeken
    toetsen

    Sample Sentences

    • Ik zal het proberen. (I will try it.)
    • Ze probeert haar best te doen in de wedstrijd. (She is trying her best in the competition.)
    • Hij probeerde de deur te openen, maar het was op slot. (He tried to open the door, but it was locked.)

    Etymology

    From Middle Dutch proberen (“to try, prove”); borrowed from Latin probāre, from probō. Doublet of proeven.

    Verbs referencing "proberen"

    Afrikaans probeer, Sranan proberi.

    Additional Information