toiletteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of toiletteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: toiletteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: toiletterend
Past participle - Verleden deelwoord: getoiletteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktoiletteer
jijtoiletteert
hijtoiletteert
wijtoiletteren
jullietoiletteren
zijtoiletteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getoiletteerd
jijhebt getoiletteerd
hijheeft getoiletteerd
wijhebben getoiletteerd
julliehebben getoiletteerd
zijhebben getoiletteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktoiletteerde
jijtoiletteerde
hijtoiletteerde
wijtoiletteerden
jullietoiletteerden
zijtoiletteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getoiletteerd
jijhad getoiletteerd
hijhad getoiletteerd
wijhadden getoiletteerd
julliehadden getoiletteerd
zijhadden getoiletteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal toiletteren
jijzult toiletteren
hijzal toiletteren
wijzullen toiletteren
julliezullen toiletteren
zijzullen toiletteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getoiletteerd hebben
jijzult getoiletteerd hebben
hijzal getoiletteerd hebben
wijzullen getoiletteerd hebben
julliezullen getoiletteerd hebben
zijzullen getoiletteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou toiletteren
jijzou toiletteren
hijzou toiletteren
wijzouden toiletteren
julliezouden toiletteren
zijzouden toiletteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getoiletteerd hebben
jijzou getoiletteerd hebben
hijzou getoiletteerd hebben
wijzouden getoiletteerd hebben
julliezouden getoiletteerd hebben
zijzouden getoiletteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtoiletteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information