koketteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of koketteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: koketteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: koketterend
Past participle - Verleden deelwoord: gekoketteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkoketteer
jijkoketteert
hijkoketteert
wijkoketteren
julliekoketteren
zijkoketteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekoketteerd
jijhebt gekoketteerd
hijheeft gekoketteerd
wijhebben gekoketteerd
julliehebben gekoketteerd
zijhebben gekoketteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkoketteerde
jijkoketteerde
hijkoketteerde
wijkoketteerden
julliekoketteerden
zijkoketteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekoketteerd
jijhad gekoketteerd
hijhad gekoketteerd
wijhadden gekoketteerd
julliehadden gekoketteerd
zijhadden gekoketteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal koketteren
jijzult koketteren
hijzal koketteren
wijzullen koketteren
julliezullen koketteren
zijzullen koketteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekoketteerd hebben
jijzult gekoketteerd hebben
hijzal gekoketteerd hebben
wijzullen gekoketteerd hebben
julliezullen gekoketteerd hebben
zijzullen gekoketteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou koketteren
jijzou koketteren
hijzou koketteren
wijzouden koketteren
julliezouden koketteren
zijzouden koketteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekoketteerd hebben
jijzou gekoketteerd hebben
hijzou gekoketteerd hebben
wijzouden gekoketteerd hebben
julliezouden gekoketteerd hebben
zijzouden gekoketteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkoketteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information