stuiven – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of stuiven

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: stuiven
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: stuivend
Past participle - Verleden deelwoord: gestoven

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstuif
jijstuift
hijstuift
wijstuiven
julliestuiven
zijstuiven

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestoven
jijhebt gestoven
hijheeft gestoven
wijhebben gestoven
julliehebben gestoven
zijhebben gestoven

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstoof
jijstoof
hijstoof
wijstoven
julliestoven
zijstoven

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestoven
jijhad gestoven
hijhad gestoven
wijhadden gestoven
julliehadden gestoven
zijhadden gestoven

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal stuiven
jijzult stuiven
hijzal stuiven
wijzullen stuiven
julliezullen stuiven
zijzullen stuiven

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestoven hebben
jijzult gestoven hebben
hijzal gestoven hebben
wijzullen gestoven hebben
julliezullen gestoven hebben
zijzullen gestoven hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou stuiven
jijzou stuiven
hijzou stuiven
wijzouden stuiven
julliezouden stuiven
zijzouden stuiven

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestoven hebben
jijzou gestoven hebben
hijzou gestoven hebben
wijzouden gestoven hebben
julliezouden gestoven hebben
zijzouden gestoven hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstuif

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

waaien
wervelen, warrelen
schieten
rennen, vliegen

Sample Sentences

  • [...] op een woest eiland te leven, en dat er zeker niets in de grot was, dat meer schrik kon verwekken dan mijn eigen persoon. Hierna raapte ik al mijn moed bijeen, nam een vlammend hout in de hand, en stoof daarmede gewapend, de grot in. Ik had nog geen drie stappen gedaan, of ik schrikte weder even hevig als vroeger, want ik hoorde een luid steenen, als van iemand, die zware pijn lijdt, dan weder een [...] (Robinson Crusoe)

Etymology

From Middle Dutch stuven, from Old Dutch *stūvan, from Proto-West Germanic *steuban.

Verbs referencing "stuiven"

German, old spelling stieben.

Additional Information