skaten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of skaten

The word "skaten" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: skaten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: skatend
Past participle - Verleden deelwoord: geskaat

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikskaat
jijskaat
hijskaat
wijskaten
jullieskaten
zijskaten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geskaat
jijhebt geskaat
hijheeft geskaat
wijhebben geskaat
julliehebben geskaat
zijhebben geskaat

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikskaatte
jijskaatte
hijskaatte
wijskaatten
jullieskaatten
zijskaatten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geskaat
jijhad geskaat
hijhad geskaat
wijhadden geskaat
julliehadden geskaat
zijhadden geskaat

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal skaten
jijzult skaten
hijzal skaten
wijzullen skaten
julliezullen skaten
zijzullen skaten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geskaat hebben
jijzult geskaat hebben
hijzal geskaat hebben
wijzullen geskaat hebben
julliezullen geskaat hebben
zijzullen geskaat hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou skaten
jijzou skaten
hijzou skaten
wijzouden skaten
julliezouden skaten
zijzouden skaten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geskaat hebben
jijzou geskaat hebben
hijzou geskaat hebben
wijzouden geskaat hebben
julliezouden geskaat hebben
zijzouden geskaat hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijskaat

Verbs conjugated like 'skaten'

aanpraten, baten, begroten, bepraten, haten, ompraten, praten, vergroten, zweten,

Verbs similar to 'skaten'

Translations

  • skate, to skateboard
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From English skate. See: English 'skate'.

    Additional Information