schrapen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of schrapen

The word "schrapen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: schrapen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: schrapend
Past participle - Verleden deelwoord: geschraapt

Cognates

See the 4 cognates of schrapen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikschraap
jijschraapt
hijschraapt
wijschrapen
jullieschrapen
zijschrapen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geschraapt
jijhebt geschraapt
hijheeft geschraapt
wijhebben geschraapt
julliehebben geschraapt
zijhebben geschraapt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikschraapte
jijschraapte
hijschraapte
wijschraapten
jullieschraapten
zijschraapten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geschraapt
jijhad geschraapt
hijhad geschraapt
wijhadden geschraapt
julliehadden geschraapt
zijhadden geschraapt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal schrapen
jijzult schrapen
hijzal schrapen
wijzullen schrapen
julliezullen schrapen
zijzullen schrapen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geschraapt hebben
jijzult geschraapt hebben
hijzal geschraapt hebben
wijzullen geschraapt hebben
julliezullen geschraapt hebben
zijzullen geschraapt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou schrapen
jijzou schrapen
hijzou schrapen
wijzouden schrapen
julliezouden schrapen
zijzouden schrapen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geschraapt hebben
jijzou geschraapt hebben
hijzou geschraapt hebben
wijzouden geschraapt hebben
julliezouden geschraapt hebben
zijzouden geschraapt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijschraap

Verbs similar to 'schrapen'

Translations

  • bark, to abrade or rub off any outer covering from
  • scrape, draw an object along while exerting pressure
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    1. From Middle Dutch schrapen (“to scrape”), from Old Dutch *scrapon, from Proto-West Germanic *skrapōn, from Proto-Germanic *skrapōną (“to scrape”), from Proto-Indo-European *skreb-, *skrep- (“to engrave”). Doublet of scrapen.
    2. Closely related to schrappen (“to strike through; to cancel; to scrap”) and schrabben (“to scratch”), as well as schrabbelen (“to scratch repeatedly”). Cognate to English scrape, scrap and scrab. See: Old Dutch '*scrapon', Proto-Germanic '*skrapōną', English 'scrape'.

    Verbs referencing "schrapen"

    English scrape.

    Additional Information