rioleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of rioleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: rioleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: riolerend
Past participle - Verleden deelwoord: gerioleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrioleer
jijrioleert
hijrioleert
wijrioleren
jullierioleren
zijrioleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gerioleerd
jijhebt gerioleerd
hijheeft gerioleerd
wijhebben gerioleerd
julliehebben gerioleerd
zijhebben gerioleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrioleerde
jijrioleerde
hijrioleerde
wijrioleerden
jullierioleerden
zijrioleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gerioleerd
jijhad gerioleerd
hijhad gerioleerd
wijhadden gerioleerd
julliehadden gerioleerd
zijhadden gerioleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal rioleren
jijzult rioleren
hijzal rioleren
wijzullen rioleren
julliezullen rioleren
zijzullen rioleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gerioleerd hebben
jijzult gerioleerd hebben
hijzal gerioleerd hebben
wijzullen gerioleerd hebben
julliezullen gerioleerd hebben
zijzullen gerioleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou rioleren
jijzou rioleren
hijzou rioleren
wijzouden rioleren
julliezouden rioleren
zijzouden rioleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gerioleerd hebben
jijzou gerioleerd hebben
hijzou gerioleerd hebben
wijzouden gerioleerd hebben
julliezouden gerioleerd hebben
zijzouden gerioleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrioleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From riool + -eren.

Additional Information