grilleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of grilleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: grilleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: grillerend
Past participle - Verleden deelwoord: gegrilleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgrilleer
jijgrilleert
hijgrilleert
wijgrilleren
julliegrilleren
zijgrilleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gegrilleerd
jijhebt gegrilleerd
hijheeft gegrilleerd
wijhebben gegrilleerd
julliehebben gegrilleerd
zijhebben gegrilleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgrilleerde
jijgrilleerde
hijgrilleerde
wijgrilleerden
julliegrilleerden
zijgrilleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gegrilleerd
jijhad gegrilleerd
hijhad gegrilleerd
wijhadden gegrilleerd
julliehadden gegrilleerd
zijhadden gegrilleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal grilleren
jijzult grilleren
hijzal grilleren
wijzullen grilleren
julliezullen grilleren
zijzullen grilleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gegrilleerd hebben
jijzult gegrilleerd hebben
hijzal gegrilleerd hebben
wijzullen gegrilleerd hebben
julliezullen gegrilleerd hebben
zijzullen gegrilleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou grilleren
jijzou grilleren
hijzou grilleren
wijzouden grilleren
julliezouden grilleren
zijzouden grilleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gegrilleerd hebben
jijzou gegrilleerd hebben
hijzou gegrilleerd hebben
wijzouden gegrilleerd hebben
julliezouden gegrilleerd hebben
zijzouden gegrilleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgrilleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information