resorberen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of resorberen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: resorberen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: resorberend
Past participle - Verleden deelwoord: geresorbeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikresorbeer
jijresorbeert
hijresorbeert
wijresorberen
jullieresorberen
zijresorberen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geresorbeerd
jijhebt geresorbeerd
hijheeft geresorbeerd
wijhebben geresorbeerd
julliehebben geresorbeerd
zijhebben geresorbeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikresorbeerde
jijresorbeerde
hijresorbeerde
wijresorbeerden
jullieresorbeerden
zijresorbeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geresorbeerd
jijhad geresorbeerd
hijhad geresorbeerd
wijhadden geresorbeerd
julliehadden geresorbeerd
zijhadden geresorbeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal resorberen
jijzult resorberen
hijzal resorberen
wijzullen resorberen
julliezullen resorberen
zijzullen resorberen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geresorbeerd hebben
jijzult geresorbeerd hebben
hijzal geresorbeerd hebben
wijzullen geresorbeerd hebben
julliezullen geresorbeerd hebben
zijzullen geresorbeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou resorberen
jijzou resorberen
hijzou resorberen
wijzouden resorberen
julliezouden resorberen
zijzouden resorberen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geresorbeerd hebben
jijzou geresorbeerd hebben
hijzou geresorbeerd hebben
wijzouden geresorbeerd hebben
julliezouden geresorbeerd hebben
zijzouden geresorbeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijresorbeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information