rantsoeneren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of rantsoeneren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: rantsoeneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: rantsoenerend
Past participle - Verleden deelwoord: gerantsoeneerd

Cognates

See the 2 cognates of rantsoeneren

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrantsoeneer
jijrantsoeneert
hijrantsoeneert
wijrantsoeneren
jullierantsoeneren
zijrantsoeneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gerantsoeneerd
jijhebt gerantsoeneerd
hijheeft gerantsoeneerd
wijhebben gerantsoeneerd
julliehebben gerantsoeneerd
zijhebben gerantsoeneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrantsoeneerde
jijrantsoeneerde
hijrantsoeneerde
wijrantsoeneerden
jullierantsoeneerden
zijrantsoeneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gerantsoeneerd
jijhad gerantsoeneerd
hijhad gerantsoeneerd
wijhadden gerantsoeneerd
julliehadden gerantsoeneerd
zijhadden gerantsoeneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal rantsoeneren
jijzult rantsoeneren
hijzal rantsoeneren
wijzullen rantsoeneren
julliezullen rantsoeneren
zijzullen rantsoeneren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gerantsoeneerd hebben
jijzult gerantsoeneerd hebben
hijzal gerantsoeneerd hebben
wijzullen gerantsoeneerd hebben
julliezullen gerantsoeneerd hebben
zijzullen gerantsoeneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou rantsoeneren
jijzou rantsoeneren
hijzou rantsoeneren
wijzouden rantsoeneren
julliezouden rantsoeneren
zijzouden rantsoeneren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gerantsoeneerd hebben
jijzou gerantsoeneerd hebben
hijzou gerantsoeneerd hebben
wijzouden gerantsoeneerd hebben
julliezouden gerantsoeneerd hebben
zijzouden gerantsoeneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrantsoeneer

Translations

  • ration, to portion out, especially during a shortage of supply
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From rantsoen + -eren.

    Verbs referencing "rantsoeneren"

    Swedish ransonera.

    Additional Information