latoeneren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of latoeneren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: latoeneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: latoenerend
Past participle - Verleden deelwoord: gelatoeneerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iklatoeneer
jijlatoeneert
hijlatoeneert
wijlatoeneren
jullielatoeneren
zijlatoeneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gelatoeneerd
jijhebt gelatoeneerd
hijheeft gelatoeneerd
wijhebben gelatoeneerd
julliehebben gelatoeneerd
zijhebben gelatoeneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iklatoeneerde
jijlatoeneerde
hijlatoeneerde
wijlatoeneerden
jullielatoeneerden
zijlatoeneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gelatoeneerd
jijhad gelatoeneerd
hijhad gelatoeneerd
wijhadden gelatoeneerd
julliehadden gelatoeneerd
zijhadden gelatoeneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal latoeneren
jijzult latoeneren
hijzal latoeneren
wijzullen latoeneren
julliezullen latoeneren
zijzullen latoeneren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gelatoeneerd hebben
jijzult gelatoeneerd hebben
hijzal gelatoeneerd hebben
wijzullen gelatoeneerd hebben
julliezullen gelatoeneerd hebben
zijzullen gelatoeneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou latoeneren
jijzou latoeneren
hijzou latoeneren
wijzouden latoeneren
julliezouden latoeneren
zijzouden latoeneren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gelatoeneerd hebben
jijzou gelatoeneerd hebben
hijzou gelatoeneerd hebben
wijzouden gelatoeneerd hebben
julliezouden gelatoeneerd hebben
zijzouden gelatoeneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijlatoeneer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information