promoveren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of promoveren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: promoveren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: promoverend
Past participle - Verleden deelwoord: gepromoveerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpromoveer
jijpromoveert
hijpromoveert
wijpromoveren
julliepromoveren
zijpromoveren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepromoveerd
jijhebt gepromoveerd
hijheeft gepromoveerd
wijhebben gepromoveerd
julliehebben gepromoveerd
zijhebben gepromoveerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpromoveerde
jijpromoveerde
hijpromoveerde
wijpromoveerden
julliepromoveerden
zijpromoveerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepromoveerd
jijhad gepromoveerd
hijhad gepromoveerd
wijhadden gepromoveerd
julliehadden gepromoveerd
zijhadden gepromoveerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal promoveren
jijzult promoveren
hijzal promoveren
wijzullen promoveren
julliezullen promoveren
zijzullen promoveren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepromoveerd hebben
jijzult gepromoveerd hebben
hijzal gepromoveerd hebben
wijzullen gepromoveerd hebben
julliezullen gepromoveerd hebben
zijzullen gepromoveerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou promoveren
jijzou promoveren
hijzou promoveren
wijzouden promoveren
julliezouden promoveren
zijzouden promoveren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepromoveerd hebben
jijzou gepromoveerd hebben
hijzou gepromoveerd hebben
wijzouden gepromoveerd hebben
julliezouden gepromoveerd hebben
zijzouden gepromoveerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpromoveer

Translations

  • graduate, to be recognized by a university as having completed the requirements of a degree
  • graduate, US: to be recognized by a high school as having completed the requirements of a course of study
  • graduate, transitive: to certify (a student) as having earned a degree
  • promote, promote
  • promote, raise someone to a more important, responsible, or remunerative job or rank
  • up, promote
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    bevorderen
    benoemen
    bombarderen
    benoemen

    Antonyms

    bevorderen
    tegenwerken, belemmeren, dwarsbomen, dwarszitten, tegenstreven

    Sample Sentences

    • Ons team is gepromoveerd naar een hogere klasse. (Our team has been promoted to a higher division.)
    • Hij promoveerde haar tot teamleider. (He promoted her to team leader.)
    • Ik ben gepromoveerd in klassieke talen. (I have [received] a doctorate in classics.)

    Etymology

    From Middle Dutch promoveren, borrowed from Latin promovere. Akin to German promovieren. See: Latin 'promoveo', German, old spelling 'promovieren'.

    Additional Information