moveren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of moveren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: moveren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: moverend
Past participle - Verleden deelwoord: gemoveerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmoveer
jijmoveert
hijmoveert
wijmoveren
julliemoveren
zijmoveren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemoveerd
jijhebt gemoveerd
hijheeft gemoveerd
wijhebben gemoveerd
julliehebben gemoveerd
zijhebben gemoveerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmoveerde
jijmoveerde
hijmoveerde
wijmoveerden
julliemoveerden
zijmoveerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemoveerd
jijhad gemoveerd
hijhad gemoveerd
wijhadden gemoveerd
julliehadden gemoveerd
zijhadden gemoveerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal moveren
jijzult moveren
hijzal moveren
wijzullen moveren
julliezullen moveren
zijzullen moveren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemoveerd hebben
jijzult gemoveerd hebben
hijzal gemoveerd hebben
wijzullen gemoveerd hebben
julliezullen gemoveerd hebben
zijzullen gemoveerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou moveren
jijzou moveren
hijzou moveren
wijzouden moveren
julliezouden moveren
zijzouden moveren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemoveerd hebben
jijzou gemoveerd hebben
hijzou gemoveerd hebben
wijzouden gemoveerd hebben
julliezouden gemoveerd hebben
zijzouden gemoveerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmoveer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information