presumeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of presumeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: presumeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: presumerend
Past participle - Verleden deelwoord: gepresumeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpresumeer
jijpresumeert
hijpresumeert
wijpresumeren
julliepresumeren
zijpresumeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepresumeerd
jijhebt gepresumeerd
hijheeft gepresumeerd
wijhebben gepresumeerd
julliehebben gepresumeerd
zijhebben gepresumeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpresumeerde
jijpresumeerde
hijpresumeerde
wijpresumeerden
julliepresumeerden
zijpresumeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepresumeerd
jijhad gepresumeerd
hijhad gepresumeerd
wijhadden gepresumeerd
julliehadden gepresumeerd
zijhadden gepresumeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal presumeren
jijzult presumeren
hijzal presumeren
wijzullen presumeren
julliezullen presumeren
zijzullen presumeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepresumeerd hebben
jijzult gepresumeerd hebben
hijzal gepresumeerd hebben
wijzullen gepresumeerd hebben
julliezullen gepresumeerd hebben
zijzullen gepresumeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou presumeren
jijzou presumeren
hijzou presumeren
wijzouden presumeren
julliezouden presumeren
zijzouden presumeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepresumeerd hebben
jijzou gepresumeerd hebben
hijzou gepresumeerd hebben
wijzouden gepresumeerd hebben
julliezouden gepresumeerd hebben
zijzouden gepresumeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpresumeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information