cremeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of cremeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: cremeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: cremerend
Past participle - Verleden deelwoord: gecremeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcremeer
jijcremeert
hijcremeert
wijcremeren
julliecremeren
zijcremeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecremeerd
jijhebt gecremeerd
hijheeft gecremeerd
wijhebben gecremeerd
julliehebben gecremeerd
zijhebben gecremeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcremeerde
jijcremeerde
hijcremeerde
wijcremeerden
julliecremeerden
zijcremeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecremeerd
jijhad gecremeerd
hijhad gecremeerd
wijhadden gecremeerd
julliehadden gecremeerd
zijhadden gecremeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal cremeren
jijzult cremeren
hijzal cremeren
wijzullen cremeren
julliezullen cremeren
zijzullen cremeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecremeerd hebben
jijzult gecremeerd hebben
hijzal gecremeerd hebben
wijzullen gecremeerd hebben
julliezullen gecremeerd hebben
zijzullen gecremeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou cremeren
jijzou cremeren
hijzou cremeren
wijzouden cremeren
julliezouden cremeren
zijzouden cremeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecremeerd hebben
jijzou gecremeerd hebben
hijzou gecremeerd hebben
wijzouden gecremeerd hebben
julliezouden gecremeerd hebben
zijzouden gecremeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcremeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From crematie + -eren.

Additional Information