preluderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of preluderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: preluderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: preluderend
Past participle - Verleden deelwoord: gepreludeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpreludeer
jijpreludeert
hijpreludeert
wijpreluderen
julliepreluderen
zijpreluderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepreludeerd
jijhebt gepreludeerd
hijheeft gepreludeerd
wijhebben gepreludeerd
julliehebben gepreludeerd
zijhebben gepreludeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpreludeerde
jijpreludeerde
hijpreludeerde
wijpreludeerden
julliepreludeerden
zijpreludeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepreludeerd
jijhad gepreludeerd
hijhad gepreludeerd
wijhadden gepreludeerd
julliehadden gepreludeerd
zijhadden gepreludeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal preluderen
jijzult preluderen
hijzal preluderen
wijzullen preluderen
julliezullen preluderen
zijzullen preluderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepreludeerd hebben
jijzult gepreludeerd hebben
hijzal gepreludeerd hebben
wijzullen gepreludeerd hebben
julliezullen gepreludeerd hebben
zijzullen gepreludeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou preluderen
jijzou preluderen
hijzou preluderen
wijzouden preluderen
julliezouden preluderen
zijzouden preluderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepreludeerd hebben
jijzou gepreludeerd hebben
hijzou gepreludeerd hebben
wijzouden gepreludeerd hebben
julliezouden gepreludeerd hebben
zijzouden gepreludeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpreludeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information