resumeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of resumeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: resumeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: resumerend
Past participle - Verleden deelwoord: geresumeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikresumeer
jijresumeert
hijresumeert
wijresumeren
jullieresumeren
zijresumeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geresumeerd
jijhebt geresumeerd
hijheeft geresumeerd
wijhebben geresumeerd
julliehebben geresumeerd
zijhebben geresumeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikresumeerde
jijresumeerde
hijresumeerde
wijresumeerden
jullieresumeerden
zijresumeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geresumeerd
jijhad geresumeerd
hijhad geresumeerd
wijhadden geresumeerd
julliehadden geresumeerd
zijhadden geresumeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal resumeren
jijzult resumeren
hijzal resumeren
wijzullen resumeren
julliezullen resumeren
zijzullen resumeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geresumeerd hebben
jijzult geresumeerd hebben
hijzal geresumeerd hebben
wijzullen geresumeerd hebben
julliezullen geresumeerd hebben
zijzullen geresumeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou resumeren
jijzou resumeren
hijzou resumeren
wijzouden resumeren
julliezouden resumeren
zijzouden resumeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geresumeerd hebben
jijzou geresumeerd hebben
hijzou geresumeerd hebben
wijzouden geresumeerd hebben
julliezouden geresumeerd hebben
zijzouden geresumeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijresumeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information