lokaliseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of lokaliseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: lokaliseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: lokaliserend
Past participle - Verleden deelwoord: gelokaliseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iklokaliseer
jijlokaliseert
hijlokaliseert
wijlokaliseren
jullielokaliseren
zijlokaliseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gelokaliseerd
jijhebt gelokaliseerd
hijheeft gelokaliseerd
wijhebben gelokaliseerd
julliehebben gelokaliseerd
zijhebben gelokaliseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iklokaliseerde
jijlokaliseerde
hijlokaliseerde
wijlokaliseerden
jullielokaliseerden
zijlokaliseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gelokaliseerd
jijhad gelokaliseerd
hijhad gelokaliseerd
wijhadden gelokaliseerd
julliehadden gelokaliseerd
zijhadden gelokaliseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal lokaliseren
jijzult lokaliseren
hijzal lokaliseren
wijzullen lokaliseren
julliezullen lokaliseren
zijzullen lokaliseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gelokaliseerd hebben
jijzult gelokaliseerd hebben
hijzal gelokaliseerd hebben
wijzullen gelokaliseerd hebben
julliezullen gelokaliseerd hebben
zijzullen gelokaliseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou lokaliseren
jijzou lokaliseren
hijzou lokaliseren
wijzouden lokaliseren
julliezouden lokaliseren
zijzouden lokaliseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gelokaliseerd hebben
jijzou gelokaliseerd hebben
hijzou gelokaliseerd hebben
wijzouden gelokaliseerd hebben
julliezouden gelokaliseerd hebben
zijzouden gelokaliseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijlokaliseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French localiser. Equivalent to lokaal + -iseren. See: French 'localiser'.

Additional Information