moraliseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of moraliseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: moraliseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: moraliserend
Past participle - Verleden deelwoord: gemoraliseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmoraliseer
jijmoraliseert
hijmoraliseert
wijmoraliseren
julliemoraliseren
zijmoraliseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemoraliseerd
jijhebt gemoraliseerd
hijheeft gemoraliseerd
wijhebben gemoraliseerd
julliehebben gemoraliseerd
zijhebben gemoraliseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmoraliseerde
jijmoraliseerde
hijmoraliseerde
wijmoraliseerden
julliemoraliseerden
zijmoraliseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemoraliseerd
jijhad gemoraliseerd
hijhad gemoraliseerd
wijhadden gemoraliseerd
julliehadden gemoraliseerd
zijhadden gemoraliseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal moraliseren
jijzult moraliseren
hijzal moraliseren
wijzullen moraliseren
julliezullen moraliseren
zijzullen moraliseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemoraliseerd hebben
jijzult gemoraliseerd hebben
hijzal gemoraliseerd hebben
wijzullen gemoraliseerd hebben
julliezullen gemoraliseerd hebben
zijzullen gemoraliseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou moraliseren
jijzou moraliseren
hijzou moraliseren
wijzouden moraliseren
julliezouden moraliseren
zijzouden moraliseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemoraliseerd hebben
jijzou gemoraliseerd hebben
hijzou gemoraliseerd hebben
wijzouden gemoraliseerd hebben
julliezouden gemoraliseerd hebben
zijzouden gemoraliseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmoraliseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch moraliseren, from Middle French moraliser. Equivalent to moraal + -iseren.

Additional Information