Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: plagen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: plagend
Past participle - Verleden deelwoord: geplaagd
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | plaag |
| jij | plaagt |
| hij | plaagt |
| wij | plagen |
| jullie | plagen |
| zij | plagen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb geplaagd |
| jij | hebt geplaagd |
| hij | heeft geplaagd |
| wij | hebben geplaagd |
| jullie | hebben geplaagd |
| zij | hebben geplaagd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | plaagde |
| jij | plaagde |
| hij | plaagde |
| wij | plaagden |
| jullie | plaagden |
| zij | plaagden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had geplaagd |
| jij | had geplaagd |
| hij | had geplaagd |
| wij | hadden geplaagd |
| jullie | hadden geplaagd |
| zij | hadden geplaagd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal plagen |
| jij | zult plagen |
| hij | zal plagen |
| wij | zullen plagen |
| jullie | zullen plagen |
| zij | zullen plagen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal geplaagd hebben |
| jij | zult geplaagd hebben |
| hij | zal geplaagd hebben |
| wij | zullen geplaagd hebben |
| jullie | zullen geplaagd hebben |
| zij | zullen geplaagd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou plagen |
| jij | zou plagen |
| hij | zou plagen |
| wij | zouden plagen |
| jullie | zouden plagen |
| zij | zouden plagen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou geplaagd hebben |
| jij | zou geplaagd hebben |
| hij | zou geplaagd hebben |
| wij | zouden geplaagd hebben |
| jullie | zouden geplaagd hebben |
| zij | zouden geplaagd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'plagen'
aanberen,
aanhalen,
aanhelen,
aanhogen,
aanklagen,
aanleren,
aanmarcheren,
aanmeren,
aanrazeren,
aanschemeren,
aansmeren,
aanspelen,
aanspugen,
aantelen,
aanvegen,
aanzagen,
abandonneren,
abdiceren,
abdiqueren,
abduceren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'plagen'
klagen,
plegen,
slagen,
blazen,
dragen,
jagen,
laden,
laken,
langen,
laten,
Translations
banter, to tease mildly
chaff, to make fun of
devil, annoy or bother
dog, to follow in an annoying way
fun, to tease, kid, poke fun
gig, to make fun of
needle, to tease in order to provoke
skit, poke fun
tease, to poke fun at
Sample Sentences
-
[...] anderen kant was het niet te denken, dat de satan de menschelijke gestalte zou aangenomen hebben, alleen om daar een indruk van zijn voet achter te laten. Hij had mij op duizend andere wijzen kunnen plagen, zonder zoo dom te zijn den voetstap te zetten op de andere zijde van het eiland; waar het tienduizend tegen een was, dat ik hem ooit zien zou, en dat nog wel in het zand, waar de eerste golf, bij [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] geplant had, waren nu tot een digt bosch gegroeid, en daarin leefden en nestelden zij, hetgeen mij zeer aangenaam was. Aldus leefde ik zeer tevreden, behalve dat ik steeds door vrees voor de wilden geplaagd werd. Doch het was anders besloten, en het zal hier niet ongepast zijn mijnen Lezers te doen opmerken, hoe dikwijls datgene, wat wij het meest trachten te vermijden en voor ons het vreesselijkst is, [...]
(Robinson Crusoe)
-
Op deze reis bezocht ik mijne nieuwe kolonie, zag mijne opvolgers, de Spanjaarden, vernam hunne geheele geschiedenis en die van de achtergelaten kerels; hoe zij eerst de Spanjaards plaagden, daarna vrede maakten, weder twist zochten, dien bijlegden en weder hernieuwden, tot eindelijk de Spanjaarden, tot geweld genoodzaakt, hen aan zich onderwierpen; hoe goed zij door deze behandeld [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch plâgen, from Old Dutch plāgon. See: Old Dutch 'plāgon'.
Verbs referencing "plagen"
German, old spelling
plagen, English
plague, Afrikaans
pla, Luxembourgish
ploen.
Additional Information