Infinitive - Onbepaalde wijs: plaatsvinden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: plaatsvindend
Past participle - Verleden deelwoord: geplaatsvind
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | plaatsvind |
| jij | plaatsvindt |
| hij | plaatsvindt |
| wij | plaatsvinden |
| jullie | plaatsvinden |
| zij | plaatsvinden |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb geplaatsvind |
| jij | hebt geplaatsvind |
| hij | heeft geplaatsvind |
| wij | hebben geplaatsvind |
| jullie | hebben geplaatsvind |
| zij | hebben geplaatsvind |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | plaatsvindde |
| jij | plaatsvindde |
| hij | plaatsvindde |
| wij | plaatsvindden |
| jullie | plaatsvindden |
| zij | plaatsvindden |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had geplaatsvind |
| jij | had geplaatsvind |
| hij | had geplaatsvind |
| wij | hadden geplaatsvind |
| jullie | hadden geplaatsvind |
| zij | hadden geplaatsvind |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal plaatsvinden |
| jij | zult plaatsvinden |
| hij | zal plaatsvinden |
| wij | zullen plaatsvinden |
| jullie | zullen plaatsvinden |
| zij | zullen plaatsvinden |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal geplaatsvind hebben |
| jij | zult geplaatsvind hebben |
| hij | zal geplaatsvind hebben |
| wij | zullen geplaatsvind hebben |
| jullie | zullen geplaatsvind hebben |
| zij | zullen geplaatsvind hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou plaatsvinden |
| jij | zou plaatsvinden |
| hij | zou plaatsvinden |
| wij | zouden plaatsvinden |
| jullie | zouden plaatsvinden |
| zij | zouden plaatsvinden |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou geplaatsvind hebben |
| jij | zou geplaatsvind hebben |
| hij | zou geplaatsvind hebben |
| wij | zouden geplaatsvind hebben |
| jullie | zouden geplaatsvind hebben |
| zij | zouden geplaatsvind hebben |
| jij | plaatsvind |