pekelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of pekelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: pekelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: pekelend
Past participle - Verleden deelwoord: gepekeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpekel
jijpekelt
hijpekelt
wijpekelen
julliepekelen
zijpekelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepekeld
jijhebt gepekeld
hijheeft gepekeld
wijhebben gepekeld
julliehebben gepekeld
zijhebben gepekeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpekelde
jijpekelde
hijpekelde
wijpekelden
julliepekelden
zijpekelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepekeld
jijhad gepekeld
hijhad gepekeld
wijhadden gepekeld
julliehadden gepekeld
zijhadden gepekeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal pekelen
jijzult pekelen
hijzal pekelen
wijzullen pekelen
julliezullen pekelen
zijzullen pekelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepekeld hebben
jijzult gepekeld hebben
hijzal gepekeld hebben
wijzullen gepekeld hebben
julliezullen gepekeld hebben
zijzullen gepekeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou pekelen
jijzou pekelen
hijzou pekelen
wijzouden pekelen
julliezouden pekelen
zijzouden pekelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepekeld hebben
jijzou gepekeld hebben
hijzou gepekeld hebben
wijzouden gepekeld hebben
julliezouden gepekeld hebben
zijzouden gepekeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpekel

Translations

  • bloat, to preserve by slightly salting and lightly smoking
  • brine, to preserve food in a salt solution
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From pekel (“brine”) + -en.

    Additional Information