omspelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of omspelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: omspelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: omspelend
Past participle - Verleden deelwoord: omgespeeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikspeel om
jijspeelt om
hijspeelt om
wijspelen om
julliespelen om
zijspelen om

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb omgespeeld
jijhebt omgespeeld
hijheeft omgespeeld
wijhebben omgespeeld
julliehebben omgespeeld
zijhebben omgespeeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikspeelde om
jijspeelde om
hijspeelde om
wijspeelden om
julliespeelden om
zijspeelden om

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad omgespeeld
jijhad omgespeeld
hijhad omgespeeld
wijhadden omgespeeld
julliehadden omgespeeld
zijhadden omgespeeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal omspelen
jijzult omspelen
hijzal omspelen
wijzullen omspelen
julliezullen omspelen
zijzullen omspelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal omgespeeld hebben
jijzult omgespeeld hebben
hijzal omgespeeld hebben
wijzullen omgespeeld hebben
julliezullen omgespeeld hebben
zijzullen omgespeeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou omspelen
jijzou omspelen
hijzou omspelen
wijzouden omspelen
julliezouden omspelen
zijzouden omspelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou omgespeeld hebben
jijzou omgespeeld hebben
hijzou omgespeeld hebben
wijzouden omgespeeld hebben
julliezouden omgespeeld hebben
zijzouden omgespeeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijspeel om

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information