hompelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of hompelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: hompelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: hompelend
Past participle - Verleden deelwoord: gehompeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhompel
jijhompelt
hijhompelt
wijhompelen
julliehompelen
zijhompelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehompeld
jijhebt gehompeld
hijheeft gehompeld
wijhebben gehompeld
julliehebben gehompeld
zijhebben gehompeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhompelde
jijhompelde
hijhompelde
wijhompelden
julliehompelden
zijhompelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehompeld
jijhad gehompeld
hijhad gehompeld
wijhadden gehompeld
julliehadden gehompeld
zijhadden gehompeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal hompelen
jijzult hompelen
hijzal hompelen
wijzullen hompelen
julliezullen hompelen
zijzullen hompelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehompeld hebben
jijzult gehompeld hebben
hijzal gehompeld hebben
wijzullen gehompeld hebben
julliezullen gehompeld hebben
zijzullen gehompeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou hompelen
jijzou hompelen
hijzou hompelen
wijzouden hompelen
julliezouden hompelen
zijzouden hompelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehompeld hebben
jijzou gehompeld hebben
hijzou gehompeld hebben
wijzouden gehompeld hebben
julliezouden gehompeld hebben
zijzouden gehompeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhompel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "hompelen"

German, old spelling humpeln.

Additional Information