omspoelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of omspoelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: omspoelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: omspoelend
Past participle - Verleden deelwoord: omgespoeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikspoel om
jijspoelt om
hijspoelt om
wijspoelen om
julliespoelen om
zijspoelen om

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb omgespoeld
jijhebt omgespoeld
hijheeft omgespoeld
wijhebben omgespoeld
julliehebben omgespoeld
zijhebben omgespoeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikspoelde om
jijspoelde om
hijspoelde om
wijspoelden om
julliespoelden om
zijspoelden om

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad omgespoeld
jijhad omgespoeld
hijhad omgespoeld
wijhadden omgespoeld
julliehadden omgespoeld
zijhadden omgespoeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal omspoelen
jijzult omspoelen
hijzal omspoelen
wijzullen omspoelen
julliezullen omspoelen
zijzullen omspoelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal omgespoeld hebben
jijzult omgespoeld hebben
hijzal omgespoeld hebben
wijzullen omgespoeld hebben
julliezullen omgespoeld hebben
zijzullen omgespoeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou omspoelen
jijzou omspoelen
hijzou omspoelen
wijzouden omspoelen
julliezouden omspoelen
zijzouden omspoelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou omgespoeld hebben
jijzou omgespoeld hebben
hijzou omgespoeld hebben
wijzouden omgespoeld hebben
julliezouden omgespoeld hebben
zijzouden omgespoeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijspoel om

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information