haspelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of haspelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: haspelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: haspelend
Past participle - Verleden deelwoord: gehaspeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhaspel
jijhaspelt
hijhaspelt
wijhaspelen
julliehaspelen
zijhaspelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehaspeld
jijhebt gehaspeld
hijheeft gehaspeld
wijhebben gehaspeld
julliehebben gehaspeld
zijhebben gehaspeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhaspelde
jijhaspelde
hijhaspelde
wijhaspelden
julliehaspelden
zijhaspelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehaspeld
jijhad gehaspeld
hijhad gehaspeld
wijhadden gehaspeld
julliehadden gehaspeld
zijhadden gehaspeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal haspelen
jijzult haspelen
hijzal haspelen
wijzullen haspelen
julliezullen haspelen
zijzullen haspelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehaspeld hebben
jijzult gehaspeld hebben
hijzal gehaspeld hebben
wijzullen gehaspeld hebben
julliezullen gehaspeld hebben
zijzullen gehaspeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou haspelen
jijzou haspelen
hijzou haspelen
wijzouden haspelen
julliezouden haspelen
zijzouden haspelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehaspeld hebben
jijzou gehaspeld hebben
hijzou gehaspeld hebben
wijzouden gehaspeld hebben
julliezouden gehaspeld hebben
zijzouden gehaspeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhaspel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information