leeven – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of leeven

The word "leeven" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: leeven
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: leevend
Past participle - Verleden deelwoord: geleefd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikleef
jijleeft
hijleeft
wijleeven
jullieleeven
zijleeven

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geleefd
jijhebt geleefd
hijheeft geleefd
wijhebben geleefd
julliehebben geleefd
zijhebben geleefd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikleefde
jijleefde
hijleefde
wijleefden
jullieleefden
zijleefden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geleefd
jijhad geleefd
hijhad geleefd
wijhadden geleefd
julliehadden geleefd
zijhadden geleefd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal leeven
jijzult leeven
hijzal leeven
wijzullen leeven
julliezullen leeven
zijzullen leeven

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geleefd hebben
jijzult geleefd hebben
hijzal geleefd hebben
wijzullen geleefd hebben
julliezullen geleefd hebben
zijzullen geleefd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou leeven
jijzou leeven
hijzou leeven
wijzouden leeven
julliezouden leeven
zijzouden leeven

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geleefd hebben
jijzou geleefd hebben
hijzou geleefd hebben
wijzouden geleefd hebben
julliezouden geleefd hebben
zijzouden geleefd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijleef

Verbs similar to 'leeven'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "leeven"

English live.

Additional Information