Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: lachen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: lachend
Past participle - Verleden deelwoord: gelachen
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | lach |
| jij | lacht |
| hij | lacht |
| wij | lachen |
| jullie | lachen |
| zij | lachen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gelachen |
| jij | hebt gelachen |
| hij | heeft gelachen |
| wij | hebben gelachen |
| jullie | hebben gelachen |
| zij | hebben gelachen |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | lachte |
| jij | lachte |
| hij | lachte |
| wij | lachten |
| jullie | lachten |
| zij | lachten |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gelachen |
| jij | had gelachen |
| hij | had gelachen |
| wij | hadden gelachen |
| jullie | hadden gelachen |
| zij | hadden gelachen |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal lachen |
| jij | zult lachen |
| hij | zal lachen |
| wij | zullen lachen |
| jullie | zullen lachen |
| zij | zullen lachen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gelachen hebben |
| jij | zult gelachen hebben |
| hij | zal gelachen hebben |
| wij | zullen gelachen hebben |
| jullie | zullen gelachen hebben |
| zij | zullen gelachen hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou lachen |
| jij | zou lachen |
| hij | zou lachen |
| wij | zouden lachen |
| jullie | zouden lachen |
| zij | zouden lachen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gelachen hebben |
| jij | zou gelachen hebben |
| hij | zou gelachen hebben |
| wij | zouden gelachen hebben |
| jullie | zouden gelachen hebben |
| zij | zouden gelachen hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs similar to 'lachen'
achten,
coachen,
kuchen,
laden,
laken,
lakken,
lallen,
landen,
langen,
lasten,
Translations
laugh, show mirth by peculiar movement of the muscles of the face and emission of sounds
laugh, be or appear cheerful
laugh, make an object of laughter or ridicule
laugh, affect or influence by means of laughter
laugh, express by, or utter with, laughter
Sample Sentences
-
[...] land daarheen te trekken, en ik deed dit langs het strand. Maar zoo iemand in Engeland een mensch ontmoet had, zoo uitgerust als ik, zou hij doodelijk verschrikt, of in lagchen uitgebarsten zijn. Ik lachte dikwijls als ik mij zelf bezag, en dacht hoe men zou opzien als ik zoo eens door Yorkshire trok. Luister slechts hoe ik er uitzag.
(Robinson Crusoe)
-
[...] zitten; maar toen Vrijdag hem hoorde spreken en hem in het gelaat zag, zou het iedereen tot tranen bewogen hebben, die gezien had hoe Vrijdag hem kuste, omhelsde en troetelde, hoe hij schreeuwde, lachte, juichte, sprong, danste, zong, dan weder schreeuwde, de handen wrong, zich op het gelaat en de borst sloeg, en dan weder als een razende danste en sprong. Het duurde eene geruime poos eer ik het [...]
(Robinson Crusoe)
-
Ik lachte er om, en zeide, dat menschen in onzen toestand boven de vrees verheven waren; dat aangezien schier elke bedenkelijke toestand beter was dan die, waarin wij rekenen mogten te zijn, wij op [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch lachen, from Old Dutch *lahhan, from Proto-West Germanic *hlahhjan, from Proto-Germanic *hlahjaną. See: Proto-Germanic '
*hlahjaną'.
Verbs referencing "lachen"
Afrikaans
lag, Luxembourgish
laachen.
Additional Information