lachen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of lachen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: lachen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: lachend
Past participle - Verleden deelwoord: gelachen

Cognates

See the 9 cognates of lachen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iklach
jijlacht
hijlacht
wijlachen
jullielachen
zijlachen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gelachen
jijhebt gelachen
hijheeft gelachen
wijhebben gelachen
julliehebben gelachen
zijhebben gelachen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iklachte
jijlachte
hijlachte
wijlachten
jullielachten
zijlachten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gelachen
jijhad gelachen
hijhad gelachen
wijhadden gelachen
julliehadden gelachen
zijhadden gelachen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal lachen
jijzult lachen
hijzal lachen
wijzullen lachen
julliezullen lachen
zijzullen lachen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gelachen hebben
jijzult gelachen hebben
hijzal gelachen hebben
wijzullen gelachen hebben
julliezullen gelachen hebben
zijzullen gelachen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou lachen
jijzou lachen
hijzou lachen
wijzouden lachen
julliezouden lachen
zijzouden lachen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gelachen hebben
jijzou gelachen hebben
hijzou gelachen hebben
wijzouden gelachen hebben
julliezouden gelachen hebben
zijzouden gelachen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijlach

Verbs conjugated like 'lachen'

lachen, uitlachen,

Verbs similar to 'lachen'

achten, coachen, kuchen, laden, laken, lakken, lallen, landen, langen, lasten,

Translations

  • laugh, show mirth by peculiar movement of the muscles of the face and emission of sounds
  • laugh, be or appear cheerful
  • laugh, make an object of laughter or ridicule
  • laugh, affect or influence by means of laughter
  • laugh, express by, or utter with, laughter
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    brullen
    bulken, giechelen, gieren, ginnegappen, glimlachen, grinniken, proesten, schateren, schaterlachen

    Sample Sentences

    • [...] land daarheen te trekken, en ik deed dit langs het strand. Maar zoo iemand in Engeland een mensch ontmoet had, zoo uitgerust als ik, zou hij doodelijk verschrikt, of in lagchen uitgebarsten zijn. Ik lachte dikwijls als ik mij zelf bezag, en dacht hoe men zou opzien als ik zoo eens door Yorkshire trok. Luister slechts hoe ik er uitzag. (Robinson Crusoe)
    • [...] zitten; maar toen Vrijdag hem hoorde spreken en hem in het gelaat zag, zou het iedereen tot tranen bewogen hebben, die gezien had hoe Vrijdag hem kuste, omhelsde en troetelde, hoe hij schreeuwde, lachte, juichte, sprong, danste, zong, dan weder schreeuwde, de handen wrong, zich op het gelaat en de borst sloeg, en dan weder als een razende danste en sprong. Het duurde eene geruime poos eer ik het [...] (Robinson Crusoe)
    • Ik lachte er om, en zeide, dat menschen in onzen toestand boven de vrees verheven waren; dat aangezien schier elke bedenkelijke toestand beter was dan die, waarin wij rekenen mogten te zijn, wij op [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch lachen, from Old Dutch *lahhan, from Proto-West Germanic *hlahhjan, from Proto-Germanic *hlahjaną. See: Proto-Germanic '*hlahjaną'.

    Verbs referencing "lachen"

    Afrikaans lag, Luxembourgish laachen.

    Additional Information