lēren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of lēren

The word "lēren" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: lēren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: lērend
Past participle - Verleden deelwoord: gelērd

Cognates

See the 3 cognates of lēren

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iklēr
jijlērt
hijlērt
wijlēren
jullielēren
zijlēren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gelērd
jijhebt gelērd
hijheeft gelērd
wijhebben gelērd
julliehebben gelērd
zijhebben gelērd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iklērde
jijlērde
hijlērde
wijlērden
jullielērden
zijlērden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gelērd
jijhad gelērd
hijhad gelērd
wijhadden gelērd
julliehadden gelērd
zijhadden gelērd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal lēren
jijzult lēren
hijzal lēren
wijzullen lēren
julliezullen lēren
zijzullen lēren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gelērd hebben
jijzult gelērd hebben
hijzal gelērd hebben
wijzullen gelērd hebben
julliezullen gelērd hebben
zijzullen gelērd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou lēren
jijzou lēren
hijzou lēren
wijzouden lēren
julliezouden lēren
zijzouden lēren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gelērd hebben
jijzou gelērd hebben
hijzou gelērd hebben
wijzouden gelērd hebben
julliezouden gelērd hebben
zijzouden gelērd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijlēr

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "lēren"

Old English læran.

Additional Information