invalideren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of invalideren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: invalideren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: invaliderend
Past participle - Verleden deelwoord: geïnvalideerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikinvalideer
jijinvalideert
hijinvalideert
wijinvalideren
jullieinvalideren
zijinvalideren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geïnvalideerd
jijhebt geïnvalideerd
hijheeft geïnvalideerd
wijhebben geïnvalideerd
julliehebben geïnvalideerd
zijhebben geïnvalideerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikinvalideerde
jijinvalideerde
hijinvalideerde
wijinvalideerden
jullieinvalideerden
zijinvalideerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geïnvalideerd
jijhad geïnvalideerd
hijhad geïnvalideerd
wijhadden geïnvalideerd
julliehadden geïnvalideerd
zijhadden geïnvalideerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal invalideren
jijzult invalideren
hijzal invalideren
wijzullen invalideren
julliezullen invalideren
zijzullen invalideren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geïnvalideerd hebben
jijzult geïnvalideerd hebben
hijzal geïnvalideerd hebben
wijzullen geïnvalideerd hebben
julliezullen geïnvalideerd hebben
zijzullen geïnvalideerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou invalideren
jijzou invalideren
hijzou invalideren
wijzouden invalideren
julliezouden invalideren
zijzouden invalideren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geïnvalideerd hebben
jijzou geïnvalideerd hebben
hijzou geïnvalideerd hebben
wijzouden geïnvalideerd hebben
julliezouden geïnvalideerd hebben
zijzouden geïnvalideerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijinvalideer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information