inpeperen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of inpeperen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: inpeperen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: inpeperend
Past participle - Verleden deelwoord: ingepeperd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpeper in
jijpepert in
hijpepert in
wijpeperen in
julliepeperen in
zijpeperen in

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb ingepeperd
jijhebt ingepeperd
hijheeft ingepeperd
wijhebben ingepeperd
julliehebben ingepeperd
zijhebben ingepeperd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpeperde in
jijpeperde in
hijpeperde in
wijpeperden in
julliepeperden in
zijpeperden in

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad ingepeperd
jijhad ingepeperd
hijhad ingepeperd
wijhadden ingepeperd
julliehadden ingepeperd
zijhadden ingepeperd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal inpeperen
jijzult inpeperen
hijzal inpeperen
wijzullen inpeperen
julliezullen inpeperen
zijzullen inpeperen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal ingepeperd hebben
jijzult ingepeperd hebben
hijzal ingepeperd hebben
wijzullen ingepeperd hebben
julliezullen ingepeperd hebben
zijzullen ingepeperd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou inpeperen
jijzou inpeperen
hijzou inpeperen
wijzouden inpeperen
julliezouden inpeperen
zijzouden inpeperen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou ingepeperd hebben
jijzou ingepeperd hebben
hijzou ingepeperd hebben
wijzouden ingepeperd hebben
julliezouden ingepeperd hebben
zijzouden ingepeperd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpeper in

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From in + peperen.

Additional Information