inbranden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of inbranden

The word "inbranden" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: inbranden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: inbrandend
Past participle - Verleden deelwoord: ingebrand

Cognates

See the 2 cognates of inbranden

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbrand in
jijbrandt in
hijbrandt in
wijbranden in
julliebranden in
zijbranden in

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb ingebrand
jijhebt ingebrand
hijheeft ingebrand
wijhebben ingebrand
julliehebben ingebrand
zijhebben ingebrand

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbrandde in
jijbrandde in
hijbrandde in
wijbrandden in
julliebrandden in
zijbrandden in

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad ingebrand
jijhad ingebrand
hijhad ingebrand
wijhadden ingebrand
julliehadden ingebrand
zijhadden ingebrand

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal inbranden
jijzult inbranden
hijzal inbranden
wijzullen inbranden
julliezullen inbranden
zijzullen inbranden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal ingebrand hebben
jijzult ingebrand hebben
hijzal ingebrand hebben
wijzullen ingebrand hebben
julliezullen ingebrand hebben
zijzullen ingebrand hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou inbranden
jijzou inbranden
hijzou inbranden
wijzouden inbranden
julliezouden inbranden
zijzouden inbranden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou ingebrand hebben
jijzou ingebrand hebben
hijzou ingebrand hebben
wijzouden ingebrand hebben
julliezouden ingebrand hebben
zijzouden ingebrand hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbrand in

Verbs similar to 'inbranden'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "inbranden"

English inburn.

Additional Information