Infinitive - Onbepaalde wijs: handeldrijven
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: handeldrijvend
Past participle - Verleden deelwoord: gehandeldrijfd
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | handeldrijf |
| jij | handeldrijft |
| hij | handeldrijft |
| wij | handeldrijven |
| jullie | handeldrijven |
| zij | handeldrijven |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gehandeldrijfd |
| jij | hebt gehandeldrijfd |
| hij | heeft gehandeldrijfd |
| wij | hebben gehandeldrijfd |
| jullie | hebben gehandeldrijfd |
| zij | hebben gehandeldrijfd |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | handeldrijfde |
| jij | handeldrijfde |
| hij | handeldrijfde |
| wij | handeldrijfden |
| jullie | handeldrijfden |
| zij | handeldrijfden |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gehandeldrijfd |
| jij | had gehandeldrijfd |
| hij | had gehandeldrijfd |
| wij | hadden gehandeldrijfd |
| jullie | hadden gehandeldrijfd |
| zij | hadden gehandeldrijfd |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal handeldrijven |
| jij | zult handeldrijven |
| hij | zal handeldrijven |
| wij | zullen handeldrijven |
| jullie | zullen handeldrijven |
| zij | zullen handeldrijven |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gehandeldrijfd hebben |
| jij | zult gehandeldrijfd hebben |
| hij | zal gehandeldrijfd hebben |
| wij | zullen gehandeldrijfd hebben |
| jullie | zullen gehandeldrijfd hebben |
| zij | zullen gehandeldrijfd hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou handeldrijven |
| jij | zou handeldrijven |
| hij | zou handeldrijven |
| wij | zouden handeldrijven |
| jullie | zouden handeldrijven |
| zij | zouden handeldrijven |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gehandeldrijfd hebben |
| jij | zou gehandeldrijfd hebben |
| hij | zou gehandeldrijfd hebben |
| wij | zouden gehandeldrijfd hebben |
| jullie | zouden gehandeldrijfd hebben |
| zij | zouden gehandeldrijfd hebben |
| jij | handeldrijf |