fletcheren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of fletcheren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: fletcheren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: fletcherend
Past participle - Verleden deelwoord: gefletcheerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfletcheer
jijfletcheert
hijfletcheert
wijfletcheren
julliefletcheren
zijfletcheren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefletcheerd
jijhebt gefletcheerd
hijheeft gefletcheerd
wijhebben gefletcheerd
julliehebben gefletcheerd
zijhebben gefletcheerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfletcheerde
jijfletcheerde
hijfletcheerde
wijfletcheerden
julliefletcheerden
zijfletcheerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefletcheerd
jijhad gefletcheerd
hijhad gefletcheerd
wijhadden gefletcheerd
julliehadden gefletcheerd
zijhadden gefletcheerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal fletcheren
jijzult fletcheren
hijzal fletcheren
wijzullen fletcheren
julliezullen fletcheren
zijzullen fletcheren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefletcheerd hebben
jijzult gefletcheerd hebben
hijzal gefletcheerd hebben
wijzullen gefletcheerd hebben
julliezullen gefletcheerd hebben
zijzullen gefletcheerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou fletcheren
jijzou fletcheren
hijzou fletcheren
wijzouden fletcheren
julliezouden fletcheren
zijzouden fletcheren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefletcheerd hebben
jijzou gefletcheerd hebben
hijzou gefletcheerd hebben
wijzouden gefletcheerd hebben
julliezouden gefletcheerd hebben
zijzouden gefletcheerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfletcheer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information