vingeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of vingeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: vingeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vingerend
Past participle - Verleden deelwoord: gevingerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvinger
jijvingert
hijvingert
wijvingeren
jullievingeren
zijvingeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gevingerd
jijhebt gevingerd
hijheeft gevingerd
wijhebben gevingerd
julliehebben gevingerd
zijhebben gevingerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvingerde
jijvingerde
hijvingerde
wijvingerden
jullievingerden
zijvingerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gevingerd
jijhad gevingerd
hijhad gevingerd
wijhadden gevingerd
julliehadden gevingerd
zijhadden gevingerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal vingeren
jijzult vingeren
hijzal vingeren
wijzullen vingeren
julliezullen vingeren
zijzullen vingeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gevingerd hebben
jijzult gevingerd hebben
hijzal gevingerd hebben
wijzullen gevingerd hebben
julliezullen gevingerd hebben
zijzullen gevingerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou vingeren
jijzou vingeren
hijzou vingeren
wijzouden vingeren
julliezouden vingeren
zijzouden vingeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gevingerd hebben
jijzou gevingerd hebben
hijzou gevingerd hebben
wijzouden gevingerd hebben
julliezouden gevingerd hebben
zijzouden gevingerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvinger

Translations

  • finger, to penetrate and sexually stimulate with one's finger
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From vinger + -en.

    Additional Information