fibrilleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of fibrilleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: fibrilleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: fibrillerend
Past participle - Verleden deelwoord: gefibrilleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfibrilleer
jijfibrilleert
hijfibrilleert
wijfibrilleren
julliefibrilleren
zijfibrilleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefibrilleerd
jijhebt gefibrilleerd
hijheeft gefibrilleerd
wijhebben gefibrilleerd
julliehebben gefibrilleerd
zijhebben gefibrilleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfibrilleerde
jijfibrilleerde
hijfibrilleerde
wijfibrilleerden
julliefibrilleerden
zijfibrilleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefibrilleerd
jijhad gefibrilleerd
hijhad gefibrilleerd
wijhadden gefibrilleerd
julliehadden gefibrilleerd
zijhadden gefibrilleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal fibrilleren
jijzult fibrilleren
hijzal fibrilleren
wijzullen fibrilleren
julliezullen fibrilleren
zijzullen fibrilleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefibrilleerd hebben
jijzult gefibrilleerd hebben
hijzal gefibrilleerd hebben
wijzullen gefibrilleerd hebben
julliezullen gefibrilleerd hebben
zijzullen gefibrilleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou fibrilleren
jijzou fibrilleren
hijzou fibrilleren
wijzouden fibrilleren
julliezouden fibrilleren
zijzouden fibrilleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefibrilleerd hebben
jijzou gefibrilleerd hebben
hijzou gefibrilleerd hebben
wijzouden gefibrilleerd hebben
julliezouden gefibrilleerd hebben
zijzouden gefibrilleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfibrilleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information