fusilleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of fusilleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: fusilleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: fusillerend
Past participle - Verleden deelwoord: gefusilleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfusilleer
jijfusilleert
hijfusilleert
wijfusilleren
julliefusilleren
zijfusilleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefusilleerd
jijhebt gefusilleerd
hijheeft gefusilleerd
wijhebben gefusilleerd
julliehebben gefusilleerd
zijhebben gefusilleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfusilleerde
jijfusilleerde
hijfusilleerde
wijfusilleerden
julliefusilleerden
zijfusilleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefusilleerd
jijhad gefusilleerd
hijhad gefusilleerd
wijhadden gefusilleerd
julliehadden gefusilleerd
zijhadden gefusilleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal fusilleren
jijzult fusilleren
hijzal fusilleren
wijzullen fusilleren
julliezullen fusilleren
zijzullen fusilleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefusilleerd hebben
jijzult gefusilleerd hebben
hijzal gefusilleerd hebben
wijzullen gefusilleerd hebben
julliezullen gefusilleerd hebben
zijzullen gefusilleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou fusilleren
jijzou fusilleren
hijzou fusilleren
wijzouden fusilleren
julliezouden fusilleren
zijzouden fusilleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefusilleerd hebben
jijzou gefusilleerd hebben
hijzou gefusilleerd hebben
wijzouden gefusilleerd hebben
julliezouden gefusilleerd hebben
zijzouden gefusilleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfusilleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

doodschieten
executeren

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French fusiller (“to fire upon”). See: French 'fusiller'.

Additional Information